taoist exercises - mirroring nature

Stacks Image 182


DE TOEKOMST VAN DE TUIN

gepubliceerd in See All This, zomer 2023
english version: THE FUTURE OF THE GARDEN

De nieuwsgierigheid van de mens is altijd onbegrensd geweest. Dit dreef hem er keer op keer toe de vertrouwde en de door hem geordende omgeving te verlaten en de wildernis te betreden. De terra incognita had de belofte van nieuwe en betere mogelijkheden om te leven. Die was blijkbaar sterk genoeg om de diepe angst voor het onbekende en om opgeslokt te worden door het wilde onbekende. In onze tijd begeven we ons in de natuur door te een duinwandeling te maken, met de hond het bos in te lopen, of in de vakantie de bergen in te trekken. Verdwalen, een onmisbaar ingrediënt van wildernis, is echter nauwelijks mogelijk. Echt verdwalen is niet meer weten waar je bent, niet meer weten wat te doen, is overgave aan wat gaat komen, is gevaar, en de uitkomst is ongewis. Onze huidige natuur uitstapjes hebben we veilig en voorspelbaar gemaakt door middel van paden, wegwijzers en mobiele telefoon. Op een kaart van het huidige Nederland is de rode kleur van bebouwing dominant aanwezig. Overal zijn stenen gebouwen, wegen en straten, buizen en kabels, hekken en bordjes. Al vind je op plaatsen als de Boschplaat en in de Biesbos nog een vage herinnering eraan, de echte wildernis lijkt verdwenen. Om weg te dromen en me voor te stellen wat er ooit was, blader ik door de Atlas van Nederland in het Pleistoceen. Hij laat kaarten van een zo goed als onbetreden land zien, vanaf 9000 voor de jaartelling tot meer recente historische periodes. Ongetemde rivieren, een genadeloze zee, malaria moerassen, venen en dichte wouden. Behalve op de meer recente kaarten is de mens niet of nauwelijks aanwezig en natuurlijke processen van aanwas en teloorgang gaan er hun eigen weg.

Met dat de mens zijn land, zijn omgeving cultiveerde, tot aan het meest afgelegen hoekje, kortwiekte / domesticeerde hij zichzelf. De wilde natuur daar buiten werd betegeld en de wilde innerlijke natuur werd teruggedrongen en steekt van tijd tot tijd de kop op in een droom, in sex, of in een voetbalstadion. Emma Marris opent haar boek Rambunctious Garden met treffende woorden. ‘We have lost a lot of nature in the past three hundred years—in both senses of the word lost. We have lost nature in the sense that much nature has been destroyed: where there was a tree, there is a house; where there was a creek, there is a pipe and a parking lot; where there were passenger pigeons and Steller’s sea cows, there are now skins and bones in dimly lit museum galleries. But we have also lost nature in another sense. We have misplaced it. We have hidden nature from ourselves.’ Wat er nog rest aan overgebleven vrije natuur is omhekt. Ter bescherming waarschuwen bordjes dat men zich niet buiten de paden mag begeven. In bomen klimmen en een vuurtje stoken zijn streng verboden. Evenals erin verdwalen en er blijven overnachten, om te kunnen verdwijnen in de nachthemel. Bescherming van wat zeldzaam en teer is, is natuurlijk heel noodzakelijk, maar een natuurreservaat wordt zo net zo onaanraakbaar als collectiestukken in de museumvitrine. Een werkelijkheid onbereikbaar achter glas. De afscherming van wilde natuur ontneemt ons onze innerlijke wildheid.

Sinds we een huis kochten in Amsterdam-IJburg hebben we de bescheiden voortuin annex parkeerplaats aan zichzelf overgelaten. De vorige eigenaar had een aantal bloeiende planten en rozenstruik en een heester in de tuin achtergelaten. Na vijf jaar verwildering is oorspronkelijke nieuwbouwwijk-ordening overgroeid en verdwenen. We hebben niet bijgehouden hoeveel plantensoorten met de wind zijn aan komen waaien. Of hun zaden door vogels er naar toe hebben laten transporteren. Het zijn er in ieder geval verbazend veel. In de zon van het vroege voorjaar is het een komen en gaan van bijen, wespen en hommels. Zittend op je knieën ontdek je een miniatuur jungle. De aangewaaide diversiteit steekt schril af tegen de voortuin van de buurman, die slechts uit twee elementen bestaat: tegels en een ligusterhaag. Het geheel oogt overzichtelijk en is zogezegd onderhoudsvrij en er is alle ruimte voor het parkeren van auto en fiets. De aanblik van de twee aangrenzende tuinen lijkt op de ontmoeting, op mini schaal, van twee elkaar bevreemd aankijkende wereldbeelden.

Toen we een aantal jaar geleden het huis betrokken, was het meeste blad van de liguster haag die de twee tuinen scheidde, gekarteld aangevreten door snuitkevers. Een nogal armoedige gezicht. Ik begreep dat deze kevers zich in de hele buurt te goed deden aan tuingroen. De bestrijding van deze plaag van onze buurman bestond eruit om met vaste regelmaat met een schaar aangedane bladeren weg te knippen. De bladeren deed hij steeds in een plastic zak die subiet de vuilniscontainer inging. Onze aanpak was veel minder actief. Door de tuin aan zichzelf over te laten groeide jaar na jaar de verscheidenheid aan planten, en daarmee ook die aan insecten. Het werd geleidelijk een mini oase voor vogels (en katten). Op een najaarsmiddag vonden we zelfs een gedesoriënteerde houtsnip, die zich in het dichte groen had verscholen. Een grotere biodiversiteit, zelfs op deze kleine schaal, brengt een grotere collectieve weerstand en herstelvermogen met zich mee. Dit jaar staat de ligusterhaag er pico bello bij; van de snuitkevers en afgekloven bladeren geen spoor meer. Ik neem aan dat de buurman hun verdwijnen als de triomf ziet van zijn niet aflatende knipijver. Ik daarentegen zie de verwildering aan onze zijde van de haag als minimaal een deel van de oplossing. Toch kan ik er nauwelijks trots aan ontleden, want het kostte geen arbeid en slimmigheid: ik was slechts waarnemer.

Het belangrijkste gereedschap om een tuin op te zetten is de moed om allereerst niets te doen. De rechtgeaarde tuinman of tuinvrouw heeft maar al te vaak de sterke impuls om op een nieuw stuk grond direct verwoed aan de slag te gaan. Plan maken, spitten, afpalen, ordenen, selecteren en wieden. Een maakbare tuin die geschapen is naar het evenbeeld van de ijverige tuinier. Niet dat hard werken, en genieten van hard werken uit den boze is. Maar dat werken komt later. Eerst is het tijd om goed te kijken, met alle zintuigen goed te observeren, Een speciale techniek of voorkennis is daarbij niet nodig. Het eerste en enige echte vereiste is niet gelijk in de actie en onrust te schieten, maar kennis te maken met de aarde, wat daarin leeft en groeit, nog voordat de tuinier heeft gezaaid of geplant.

De oorspronkelijke bewoners van de tuin dragen het label onkruid. Ze zijn meest geen onderdeel van de planning van de tuinier en dienen te worden verwijderd. Irritant genoeg weten ze van geen wijken en duiken ze steeds weer op. In Weeds schrijft Richard Mabey: ‘Plants become weeds when they obstruct our plans, or our tidy maps of the world. If you have no such plans or maps, they can appear as innocents, without stigma or blame.’ … ‘The best-known and simplest definition is that a weed is ‘a plant in the wrong place, that is, a plant growing where you would prefer other plants to grow, or sometimes no plants at all’. Door het plan en de rusteloze arbeid voor een moment naast zich neer te leggen wordt het onkruid bevrijd van het stigma ‘ongewenst’. Het onkruid, de pionier planten die het oppervlak van de tuin willen bedekken en de grond bijeen willen houden, vertellen over de staat van de grond. Ze zijn indicatoren van haar geschiedenis, van haar recente gebruik, van verstoringen, overbemesting en kwaliteit van bodemleven. De pauzerende tuinier is attent op het onkruid. Waarom groeit die ene soort wel hier en niet daar? Wat betekent de aanwezigheid van een andere voor de conditie van de grond? En welk verhaal wordt verteld door de opeenvolging van het ene onkruid door andere soorten? Door onkruid niet alleen maar te zien als ongenode gasten groeit het begrip van wat nodig is te doen en wat onnodig. Wat te wieden en wat te laten staan. De omvang en de complexitiet van de samenhang binnen zelfs de kleinste tuin is enorm en wie kan die bevatten? Begrip van de natuurlijke processen en samenhang komt met directe observatie, in stukjes en beetjes. In plaats van dat tuinier de tuin maakt, krijgen de tuin en haar bewoners de leidende rol.


Observatie beperkt zich niet tot wat er òp de aarde groeit, maar richt zich ook wat ìn de aarde leeft, het donkere onderaardse. Een gedeelte van het jaar woon ik met mijn gezin in een houten buitenhuis, in een bos langs de Overijsselse Vecht. Vanaf de rivieroever is het land licht glooiend, een overblijfsel van door de eeuwen meegevoerd zand. De meeste eikenbomen rond het huis zijn relatief jong, rond de 75 jaar oud. Bomen en de onderbegroeiing bieden onderdak aan een grote diversiteit aan levende wezens. Een paar jaar geleden telden we op een lenteochtend binnen een uur niet minder dan 30 soorten vogels. Niet gek voor zo’n relatief jong bos. Maar hier maakt het verhaal een onverwachte wending. Dit bos is een overblijfsel van de eiken-hakhoutcultuur. Gedurende eeuwen werden in dergelijke bosschages om de zoveel tijd stammen geveld. Voor bouwhout, voor paaltjes en stelen, als brandstof voor kachel en oven. Maar de meest gebruikte toepassing van het hakhout lag in de looistof uit de eikenbast, gebruikt in de looierij. De stammen werden een stuk boven de grond gekapt. En uit de overgebleven stobbes groeiden als vanzelf de nieuwe takken. De bosgrond en de gemeenschappelijke wortelstructuur zelf bleef onaangeroerd. Een bezoekende ecoloog van het Landschap Overijssel schatte de ouderdom ervan op 600 jaar. Al die eeuwen bleef de bodem vrij van spade en ploeg. Het communale wortelgestel, de dikke humuslaag en een uiterst divers bodemleven konden intact blijven.

Het bodemleven is een ecosysteem in zichzelf, een donkere ondergrondse wereld vergeven van eindeloos aantal grotere en kleinere en minuscule wezens. Naast de onvolprezen mol en de onmisbare aardworm: mijten, nematoden, springstaartjes, spinnetjes, duizendpoten, de meest uiteenlopende stammen van bacteriën en protozoa. En tussen de ontelbare plantenwortels en haarworteltjes bevind zich een ragfijn weefsel van zwamdraden. De zwemdraden zijn de haarwortels van de boom binnen gegroeid. Het mycelium van de schimmel (myco) en de wortel (rhiza) vormen een wonderbaarlijke symbiose: mycorrhyza. De schimmel voert vocht en voeding voor de boom aan en ontvangt suikers in ruil daarvoor. De toch al enorme reikwijdte van het wortelgestel van de bomen, wordt zo enorm vergroot. Ook verbind het mycelium van deze schimmels bomen onderling. Dit voor het blote oog nauwelijks zichtbare netwerk wordt ook het ‘wood wide web’ genoemd. De conventionele scheidslijnen die we onbewust aanbrengen tussen verschillende organismes, en die bepalend zijn binnen ons wereldbeeld, worden hierdoor heel relatief.

Maar niet alleen bomen in het bos, de meeste planten, ook tuinplanten, leven in symbiose met schimmels. In een tuin waar de grond niet jaarlijks wordt omgezet, en daarom niet verstoord wordt, blijft het complex van schimmelculturen intact. In die zin zijn bos en tuin niet wezenlijk verschillend. In een ‘bostuin’ of een ‘voedselbos, een tuin geïnspireerd op de hechte verbanden binnen een gezonde bosgemeenschap, blijft de bodem in alle seizoenen bedekt. Er groeien niet alleen eenjarige planten, die na de oogst een kale bodem overlaten, zeker als ook in de loop van het groeiseizoen al het onkruid is weg-gewied. In deze tuin vind je vooral ook meerderjarige planten, die de aarde continue bewortelen en bedekken. Kleine planten, struiken en bomen vullen elkaar aan, en het strikte onderscheid tussen ‘kruid en onkruid’ is vervaagd. Doordat er niet gespit en geploegd wordt, verbetert de bodemstructuur en is er alle gelegenheid voor een rijk bodemleven. Dit soort tuinen is een paradijs voor verschillende soorten aardwormen zijn. Een paar honderd exemplaren per vierkante meter is geen uitzondering. Charles Darwin’s laatste publicatie handelt over de aardworm. Hij noteerde: ‘It may be doubted whether there are many other animals which have played so important a part in the history of the world’. Aristoteles bschouwde aardwormen ‘de darmen van de aarde’. Hoe mooi is het om een tuin te hebben waar de bodemvruchtbaarheid in de loop van de jaren hersteld en waar het bodemleven steeds rijker wordt.

Een tuinier die de moed heeft om af en toe uit de actiemodus te steppen en volop te observeren, laat wellicht een gedeelte van de tuin verwilderen. De tegenstelling tussen het verwilderde en het geplande gedeelte van de tuin is op zijn minst interessant. De kern van ‘rewilding’ is het vertrouwen scheppen in natuurlijke processen en deze waar te nemen. De schaal ervan is niet essentieel. Een organisatie als Rewilding Europe laat zien dat een terugkeer van wildernis in grote gebieden mogelijk is door de juiste voorwaardes te scheppen. Hele ecosystemen herstellen zich, inclusief de terugkeer van oorspronkelijke flora en fauna. Maar de dynamiek van levende wilde natuur laat zich ook zien in een hoekje van de tuin of bakken op het balkon. Afgelopen jaar schreef de NRC over De Wilde Tuin. In samenwerking met de Universiteit van Tilburg werden lezers uitgenodigd om 1 m2 van hun tuin te laten verwilderen en het proces te monitoren. De oproep resulteerde uiteindelijk in 8500 deelnemers, waarvan velen verslag deden van hun waarnemingen. Het zijn getuigenissen van verwondering en ontdekking, frustratie en inzicht.

‘Het is wel een gevecht om dingen te laten staan en niet in te grijpen.’

‘Je geeft meer aandacht, in dit geval aan die vierkante meter tuin, en wat je er allemaal in aantreft. Waar je meer aandacht voor hebt, daar voel je al snel meer verbondenheid mee. En voel je je eenmaal verbonden dan wil je er ook zorg voor dragen.’

‘Omdat we ons huis wilden verkopen ben ik er maar helemaal mee gestopt. Je wilt toch een nette tuin hebben en tja, onkruid ziet er nou eenmaal onverzorgd uit.’

‘Als je neerhurkt en tussen de planten gluurt, betreed je een ander universum. Spinnen, kevers, sprinkhanen, piepkleine holletjes en gangetjes… Binnen die vierkante meter krioelt het van het leven. En dan heb je de smalle weegbree. Die is van een buitenaardse schoonheid.’

Komend uit een wereld van het gemillimeterde gazon, de coniferenhaag, betontegel-tuinen en tuinen waar alle wildheid en leven uit is verbannen, de tuin van de toekomst zal een enorme diversiteit kennen. Overal om ons heen kunnen we hiervoor inspiratie op doen. Een prachtig voorbeeld van rewilding is het laten verwilderen van een weiland in Friesland door de natuurfotograaf en -filmer Ruurd Jelle van de Leij. Een van de oudste en mooiste voedselbossen is die van Martin Crawford in Devon in het zuiden van Engeland. Of luister en kijk naar Michael Pollan op TED waarin hij de werkelijkheid omschrijft waar het niet de tuinier is die de beslissing maakt over selectie en veredeling, maar waarin de plant hem hiertoe verleidt en de feitelijke initiator is. Laat je door Alexandra Daisy Ginsberg meenemen en bezie de tuin vanuit het perspectief van de bestuivers. En wat denk je van de Los Angeles tuin van gangsta gardener Ron Finley (zie ook SAT21). Bekijk de website van Polyface Farms van William Sallatin in Virginia, een overtuigend voorbeeld van regeneratieve tuinbouw. Of dichter bij huis, het Bodemzicht project vlakbij Nijmegen. Bekijk zeker ook de inspirerende documentaire Onder het Maaiveld over het herstel van het bodemleven. Of bezoek the expostie Garden Futures: Designing with Nature in Basel, en maak daar kennis met de tuin vol verhaal en geschiedenis van Jamaica Kincaid. De tuin van de toekomst en de tuinier van de toekomst zullen elkaar spiegelen in ordening en in wildheid.